Logo GGSC
Geschiedenis, vliegeigenschappen, raskenmerken en cultuurhistorische waarde van Groninger en Gelderse slenken

"Wie kent niet deze duif, die ieder stil doet staan, wanneer zij zich in onze nabijheid bevindt en ieder liefhebber door haar prachtige vlugt, door haar sterk geklap en door het onder het ligchaam elkaar naderen der vleugels, doet genieten..."

(Leeuwarder Courant, 16 januari 1882)

Alineaeinde

Rasgegevens over de slenken

Door: Pieter Jansma

Oost-Friese slenkduiven (O. Graebner, 1920)Nederland kent van oudsher verschillende lokale vliegduivenrassen. Bekende vliegrassen waren de hagenaar, de Nederlandse hoogvlieger, de oud-Hollandse tuimelaar en de holle kropper. De slenken vormden een aparte groep met twee variëteiten: de Groninger en de Gelderse.

De Groninger slenk verkeerde lange tijd in een dal, maar kreeg een opleving. Van de Gelderse slenk werd tot voor kort gedacht, dat deze geheel was uitgestorven. Rond de laatste eeuwwisseling werden echter nog enkele volhardende fokkers van dit unieke oude Gelderse vliegras ontdekt.

In een aantekening van Hartogh Heys van Zouteveen (1893) bij de vertaling van een van de hoofdwerken van Darwin staat: "De slenker is een echte Nederlandsche duif, die men bijna nergens anders aantreft. Hij is grooter dan de veldduif, goed geproportioneerd gebouwd, vliegt uitstekend en moet onder het vliegen hard met de vleugels tegen elkander aanslaan. Er zijn twee variëteiten: de Groningsche en de Geldersche, die alleen in teekening iets verschillen". Ongetwijfeld werd hiermee op de witte vlek (slab) van de Gelderse op de voorzijde van de hals gedoeld, de zogenaamde bonttekening.

Geschiedenis van de slenkduif

Slenken uit lang vervlogen tijden; vermoedelijk uit de jaren vijftig (Foto: J.H. Wieking)Hoe lang de slenken bestaan, is onbekend. Gockinga schrijft in het tijdschrift Onze gevederde vrienden van 4 augustus 1882, dat de slenk zijn bloeitijd kreeg rond 1800 in Groningen. Vanaf dat moment verkreeg het ras een zekere vermaardheid en werden exemplaren naar alle delen des lands verzonden. Buiten Groningen kregen vooral Gelderse duivenmelkers een voorliefde voor dit uiterst sterke en temperamentvolle ras. Plaatsen als Zutphen, Enschede, Nijmegen, Elst en Arnhem golden als bolwerken van de slenkenfokkerij. Verder mogen de steden Utrecht, Leeuwarden en Den Haag niet onvermeld blijven.

De voorliefde voor het ras bleek niet bij elke fokker op dezelfde gronden te bestaan. In Groningen hadden het type, de kleur en het temperament de voorkeur. In Gelderland bestond een voorliefde voor uithoudingsvermogen, weerstandsvermogen en vliegkwaliteiten. Zo ontstonden geleidelijk aan twee typen of variëteiten binnen het ras: de Groninger en de Gelderse slenk. Toen de pluimveetentoonstellingen eind 19e eeuw in opkomst kwamen, werden de verschillen ongetwijfeld alleen maar groter.

In tegenstelling tot de Gelderse, streefde de Groninger fokrichting vanaf die tijd een uniform type slenk na; geschikt als tentoonstellingsduif. Er werd vooral gefokt op een diagonale stand, een holle rug, een lange sterk achterover gebogen soepele hals en ten slotte op intensievere kleur. Dat resulteerde in 1922 in de eerste officiële standaard van de Groninger slenk. Deze is tot op de dag van vandaag nauwelijks veranderd.

Hoewel de Gelderse fokrichting zich in 1926 verenigde in de 'Nijmeegse Slenkenclub', is niet bekend of er ooit een standaard van de Gelderse slenk heeft bestaan. Niettemin mogen we aannemen dat er eind 19e eeuw van beide slenkduiven al iets van een richtlijn moet zijn geweest, al dan niet op papier. Want zeker al vanaf 1899 werden beide slenken afzonderlijk gekeurd op tentoonstellingen. In de jaren twintig van de vorige eeuw verschenen er zelfs Gelderse slenken op de (inter)nationale shows van Avicultura. Sinds 2010 is er een standaard van de Gelderse slenk en is het ras officieel erkend.

Overeenkomsten en verschillen

Geep In 1964 schrijft Van der Vaart in Avicultura: "Wel waren er twee soorten in ons land, namelijk Groninger en Gelderse slenken. De eerste waren breder in de borst met een betere nekslag en vooral korter in bouw. Ze staken beduidend af bij haar Gelderse zusters, die vooral veel langer in rug en staart waren en met een veel smallere borst. Deze eigenschap bezorgden ze bij de Groninger fokkers de naam van 'Gelderse gepen' naar de lange dunne vissoort van die naam. Toch waren ook die 'gepen' goede vliegers, vooral in de langere vluchten". Verheij (1963) merkt in Avicultura op, dat de Gelderse slenken wat langer van voren zijn, niet zo zwaar hangend, doch flink vliegend. In Nijmegen e.o. werd van de Groninger slenk gezegd: "Zij moeten zijn gelijk een Belgisch paard, kort en breed". De lange en forse vond men onder de Gelderse slenken, zo sprak Van Meteren (1953).

Gelderse slenk, tekening van J. de Jong (2009)Ook Spruijt (1935) zei dat de Gelderse slenk veel grover en forser was dan de Groninger, doch houteriger en veel minder elegant in zijn bewegingen. Baldamus (1896) schreef dat de Gelderse slenk niet mag sidderen zoals (red. lees in de mate van) de Groninger en dat de keel met een ronde witte vlek getekend moet zijn. Van Gink & Spruijt (1930) spreken van een min of meer hartvormige vlek aan de voorzijde van de hals. Bij de Gelderse slenk kan de hals licht sidderen of beven (bij slenken grollen genoemd). Hierbij wordt de kop echter niet achterover gegooid tot aan de rug (het zogenaamde hangen), zoals bij de Groninger slenk.

Groninger slenk, tekening van W.F. Hollander (ca. 1935)De slenken komen in drie kleuren voor met in totaal negen kleurslagen: geheel wit, (dominant) rood, (dominant) geel, roodbleek, geelbleek, roodspar en geelspar. Bij de spartekening kennen we twee varianten: bandspar en spikkelspar. Beide spartekeningen vormen een (soort van) schimmelfactor. Bij de Gelderse slenk wordt een ronde tot hartvormige witte vlek op de voorzijde van de hals (bonttekening) nagestreefd.

In De duivensport (ca. 1930) schrijft Sanders een artikel met als titel 'Een slenkenpraatje'. Met enkele zinsneden hieruit, ronden we de overeenkomsten en verschillen af: "Het zal zowat een veertig jaren geleden zijn dat we kennis maakten met de slenken! (...) Het waren 2 paar 'Geldersche' en 1 paar 'Groninger' en voor ons jongens waren de Gelderse slenken verreweg favoriet. Als die los waren, zag je ze werken, ze 'trokken' en 'zeilden' dat het een lust was (...) Kleur was bijzaak, we bezaten 3 roode en 1 schimmel. Vliegen was hoofdzaak en hierdoor kwamen de Groninger 2 schimmels op den achtergrond. Deze maakten geen afstand, trokken van dak tot dak en dat bevredigde ons niet. Voor ons waren Gelderse slenken en slenken hetzelfde. Groningers waardeerden we niet; dat is later gekomen toen ze in de volière kwamen. Daar maakten de Groningers een beter figuur. Ze waren veel drukker. Hun sprongen en buigingen, hun overdreven trotse manieren was ons een openbaring, waardoor ze gelijk kwamen met hun vliegende naamgenoten".

Vliegeigenschappen

Hoewel bij de Groninger slenk de afgelopen 75 jaar niet specifiek op vlieggedrag is geselecteerd door verreweg de meeste fokkers, komt de vliegwijze van beide slenken vrijwel overeen. De vleugels worden boven en onder krachtig, luid klepperend, tegen elkaar geslagen. Tijdens het vliegen is de kop opgericht en heeft de staart een holle waaiervorm. De vliegprestaties bestaan uit drie onderdelen:

Oud Romeins (handels)schipHoe steiler de slenk opstijgt (met zo weinig mogelijk vleugelslagen), hoe beter. Wanneer voldoende hoogte is bereikt, begint het zwemmen. Na elke (zwem)slag 'gooit' de slenk zich 10 tot 15 meter vooruit en stijgt hij met een schok van soms wel 1 m (wederom springen). Het zwemmen lijkt op de bewegingen van een hobbelpaard, waarbij het lichaam de vorm aanneemt van een oud Romeins schip. Bij het zeilen staan de vleugels enkele seconden stil in een V-vorm. Hoe langer een slenk krachtig springt en zwemt met opgeheven kop en gespreide holle staart, des te meer waarde heeft hij.

Met de lyrische lofspraak in het blad De Veldpost van 15 april 1899 over de slenk, ronden we de slenkenvlucht af: "O, 't is een prachtig gezicht, dat vliegen van echte slenken. Wie een echte slenke duif zag vliegen, heeft, in enkele seconden, als 't ware verpersoonlijkte kracht, lenige bevalligheid en majesteit gezien. Men zal zeggen: zoo spreekt een liefhebber. Neen, geen enkel onbevooroordeelde waarnemer zal dit tegenspreken".

Cultuurhistorische waarde

Evenals maatschappelijke verworvenheden, archeologische vondsten en historische gebouwen, maken ook oude dierenrassen deel uit van ons gemeenschappelijk cultuurbezit. In de vaak typische raskenmerken zijn opvattingen en idealen terug te vinden van onze voorouders. Hoewel een standaard noodzakelijk is, staan de vliegkwaliteiten voorop!

Webmaster: Pieter Jansma | Sitemap | Disclaimer | Copyright ©: Groninger en Gelderse Slenken Club
Print deze pagina